Coret Genealogie

Coret Genealogie

Transcripties

De complete stamboom online!
Switch to English
Inloggen

Verkoopakte huis Nicolaas Coret en Willem Frederik van Nassau, 26 december 1644

Afbeelding van pagina 1

Transcriptie van pagina 1

Willem Fredrik van Nassau-Dietz

Willem Fredrik werd geboren in 1613. Hij was de tweede zoon uit het huwelijk tussen Ernst Casimir van Nassau-Dietz en Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbuttel. In 1640 Volgde Willem Fredrik zijn broer, Hendrik Casimir I, op als stadhouder van Friesland. In 1645 nam hij deel aan de veroveringen van Hulst. Na de dood van Fredrik Hendrik, die al niet zo blij was dat Willem Fredrik stadhouder was geworden, sloot hij zich aan bij Willem II. Hij steunde hem tijdens de aanslag op Amsterdam. Te vergeefs probeerde Willem Frederik de plaats van Willem II in te nemen tijdens de minderjarigheid van Willem III, dit met behulp van Frankrijk en Oranje gezinden. In 1650 werd hij wel stadhouder van Groningen en Drenthe.

In 1652 huwde hij met Albertina Agnes (1634-1696), zijn achternicht ,namelijk de dochter van Frederik Hendrik. Een dame van stand en goede afkomst. De zoektocht naar zo een dame heeft hem enkele jaren geduurd. Dit mede, doordat zijn eerste keus er vandoor ging met een ander en hij dus weer op nieuw moest beginnen. Uit het huwelijk kwamen 3 kinderen voort: Amalia van Nassau (1655-1695), Hendrik Casimir II (1657-1696) en Sophia Wilhelmina van Nassau-Dietz (1664-1667).

Willem Fredrik overleed in 1664 na een ongeluk met een pistool, waarbij hij zichzelf neer schoot.

Bron: http://www.iec.nhl.nl/~fietj000/willemfredrik.htm



Geboren op 7 augustus 1613 in Arnhem als 2-de kind. Overleden op 31 oktober 1664 in Leeuwarden, hij was 51 jaar oud en is begraven in Leeuwarden.

Gehuwd op 2 mei 1652 in Kleef met Albertine Agnes Oranje Nassau van Geboren op 9 april 1634 in 's-Gravenhage. Overleden op 24 mei 1696 in Oranjewoud, zij was 62 jaar oud.

Kinderen uit dit huwelijk:

Bron: http://ysa.nl/koni/61308070.htm

Ligging van het huis

Door de beschrijving van de ligging van het huis (gestaen ende gelegen in de Pooden alhier bekent ten oosten Anthoni Varstrick meester schoenmaker, ten westen de dochter van [?]rick Janz[oon] galliard, ten zuijden den gemeynen [=openbare] buyrsloot ende ten noorden 's heeren straat) kan er op de kaart van Den Haag uit 1652 (Blaeu's Toonneel der Steden) worden aangegeven waar het huis ongeveer lag.

In bovenstaande kaart van Den Haag is de gekleurde rechthoek hieronder uitvergroot. Het gebied waar (nu) de Korte Poten ligt is hier weer weergegeven in een licht gekleurde rechthoek.

Betaalmiddel

Het transcriberen van 17e eeuwse akten is lastig vanwege het handschrift. De taal zelf levert ook nog de nodige uitdagingen op. Collega genealogen hebben via newsgroups geholpen met tweezinssneden uit de akte.

"somme van Negen Duijsent Carolus guld. t'stuck tot xl [40] grooten vlaems eens"

40 groten vlaams gaf de waarde van de gulden aan. Er waren verschillende guldens in omloop, van 18 van 20 of van meer stuivers. Een grote vlaams staat voor 1/2 stuiver. Zodoende was niet gulden, maar de grote vlaams of de stuiver de basis van het muntstelsel. Dat blijk ook nog uit ons dubbeltje: dubbele stuiver. De grote vlaams was een rekenmunt. Dat betekende dat ze niet echt fysiek in omloop hoefde te zijn. Ook de Carolusgulden (ingevoerd door Karel V) zal in 1644 niet meer courant geweest zijn. Al onder zijn opvolger Philips kwam er de Philipsdaalder en later sloegen de staten hele en halve daalders en rijksdaalders. De Carolusgulden diende als voor iedereen duidelijke omrekeneenheid.

Met dank aan: Hein Vera


Gouden Carolusgulden

De "groot" was een zilveren munt, algemeen bekend. Maar zo "gemeen" als zijn naam was, zo onzeker en veranderlijk was zijn allooi en gewicht. In Brabant werd hij geslagen onder Jan I, (1261-1294). Geslagen met een banierdragende ridder (Cavalier). Er was ook een groot met een Engel, en een andere met een Leeuw. Er waren halve groten en dubbel groten; groten Vlems, oude Vlemse groten en gouden groten. Er was ook een Zutphense, een Dortrechtse en een Bergsche (Geertruidenbergse) groot. In het Den Haag van 1644 moest men 40 grooten Vlaems hebben voor 1 Carolusgulden. De Carolusgulden, ook Brabantse of Rijnse gulden genoemd was een gouden munt geslagen onder keizer Karel, 1520. Hij deed 20 stuivers. Er was ook een zilveren Carolus gulden. Bij plakkaat van 12 juni 1539, beval de keizer de algemene officiŽle invoering van de Carolusgulden in de bestuurlijke zaken, akten en schriften, ter uitsluiting van alle andere maat. In 1521 was 1 Carolusgulden = 20 stuivers of 1 pond Artois. Deze gegevens komen hoofdzakelijk uit "Stallaerts glossarium". Afbeeldingen staan er niet in dat werk. Maar er zijn zeker publicaties met afbeeldingen van die munt.

Met dank aan: Mathijs Vandenbosch


Zilveren Carolusgulden
"resterende vyfduysent binnen ses maenden ofte een Jaer daarnae metten Interest van dien jegens de penninck sestien int Jaer"

Het zou gemakkelijker geweest zijn te vragen naar de betekenis van "ten pennink 20 ". Want dat betekent dat iedere Carolusgulden rente moet afgelegd worden met 20 Carolusgulden kapitaal. De intrest bedraagt dan 1/20 van het kapitaal; 1/20 = 5/100 = 5%.

Met deze rentevoeten is het % gemakkelijk uit te drukken.

Met "Ten pennink 16, 18,..." is dat moeilijker omdat dat geen delers zijn van 100. Ten pennink 16, wil zeggen dat voor iedere Carolusgulden intrest er 16 Carolusgulden kapitaal moet afgelegd worden; dat komt neer op 6 1/4 %

Nu leent men meestal met afgeronde kapitalen. In de 14de en 15de eeuw gebeurde het vaak dat de jaarrente een rond getal was. Men "koopt" (=leent) een jaarrente van 6 gulden, af te leggen ten pennink 18. Dan moest men 6 x 18 gulden kapitaal afleggen = 108 gulden.

Met dank aan: Mathijs Vandenbosch


Om dit aan te vullen: e.e.a. heeft te maken met het middeleeuwse kerkelijke renteverbod. Daarom leende men geen geld, maar kocht men een rente. Overigens konden onze voorouders prima omgaan met cijfers achter de komma. Ze waren ook gewend aan allerlei omrekeningen, niet alleen omdat er allerlei vreemde munten in omloop waren, maar ook omdat de waarde van de afzonderlijke munten nogal eens fluctueerde.

Met dank aan: Hein Vera


Weet je waarom men dat omgekeerd deed? Ik bedoel een 'rente kopen' in plaats van geld uitlenen, terwijl dat toch hetzelfde was? Dit had godsdienstige redenen. De kerk had heel veel bezwaren tegen geld uitlenen voor rente. Kijk maar in de bijbel. Jezus ranselde de geldschieters en tollenaars e.d. de tempel uit... De kerk vond het maar niets dat rijke mensen geld (rente) kregen zonder daar iets voor te doen... Men zou dat volgens het 'ideaal' zonder rente moeten uitlenen, of zelfs allemaal weggeven. Hoe lost men dat op? Een geldschieter 'kocht' een rente door een vast bedrag op tafel te leggen (uit te lenen zouden wij zeggen). Dat bedrag werd in de rentebrieven pas helemaal aan het eind genoemd, zoiets als: 'deze jaarlijkse rente kan elk jaar op (datum) worden afgekocht voor een bedrag van...' Dat bedrag was dan het uitgeleende geld, maar men paste wel op, dat zo te noemen. Vaak werd ook gesteld: de rente gaat uit een genoemd huis (of ander goed van waarde, zoals een weiland of een akker). Dit huis of akker was dan het onderpand, maar dat werd nooit vermeld, want dan leek het weer op een geldlening. Zeg niet dat onze voorouders niet inventief waren...

Met dank aan: Frans Scholten

Op huijden den xxvi [=26] december xvi c [=1600] vierenveertig Compareerde s[ieur] [=den heer] Nicolaes Coret M[eeste]r harnasmaker woonende alhier inde hage ende bekende verkocht ende Sijne Ex[ellentie] d`heere Grave Willem frederik Grave tot Nassau Catzenellenbogen d`Stadthouder van Vrieslant [?] mede compareerende gekocht te hebben seeckere des verkoop des huysinge, erve ende toebehooren met alle t gene daeraen aert ende nagelvast is ende met alsulcke actien ende servituijten [=erfdienstbaarheden] soo dominerend als lijdende, als de voors[creven] huijsinge is hebbende gestaen ende gelegen in de Pooden alhier bekent ten oosten Anthoni Varstrick meester schoenmaker, ten westen de Dochter van [?]rick Janz[oon] galliard, ten zuijden den gemeynen [=openbare] buyrsloot ende ten noorden `s heeren straet, ende voorts in aller voegen ende manieren als den vercooper des voors[creven] huijsinge tot op desen huydigen dach toe heeft gepossid[eer]t [=in eigendom gehad] ende gebruyct, ende dat voors[creven] somme van negen duijsent Carolus guld. T` stuck tot xl [40] grooten vlaems eens vrijgelt, ende vrijgoet te betalen Meydage inde toecomende Jaere XVIe [=16] vijffenveertich vier Duijsent guld. Ende de resterende vijffduysent g[ulden]n binnen ses maenden ofte een jaer daernaer met de Interest van dien jegens de penninck sestien int Jaer // ende sal d`heere Cooper mede tot zijnen lasten nemen betalinge van den xl [=40] ende lxxx [=80] pen. Ende alle andere lasten ofte impositien [=belasting] daerop alreede gestelt, ofte noch te stellen, meede oock `t schyftgelt, depescheren van den brieven van Transporte, ende andere oncosten op deze v[er]cooppinge vallende boven ende behavens noch de somme van vier hondert gulde die des vercooper, syne huisvrouwe, ende kinderen respectivelyck tot het leste van deselve toe, successivelyck van hooch gemelte Syne Excellentie Jaarl[ijk]s sullen genieten daeraf [=vanaf nu] ende selve by Syne Excellentie schepenen brief sal werden verleent Coopcele voor syn excellentie Willem Frederick stadthelder in Vrieslant alles in goede ganckbaer ende gevalueerde goude en silvere munt
Bron Inventarisnummer: NA-0704
Bron: Gemeentearchief 's-Gravenhage, NotariŽle protocollen 's-Gravenhage I (periode 1597-1842), inventarisnummer 40, folio 263.
NetStat
Je bent niet alleen op Coret Genealogie: met jou erbij zijn er nu 44 gebruikers op deze site!