Coret Genealogie

Coret Genealogie

Onderzoek

De complete stamboom online!
Switch to English
Inloggen

Schilder Cornelis Brisé

In de zeventiende eeuw leefde de schilder Cornelis Brisé (1622-a/1670). Alhoewel er nog geen link is met de nu levende Brizee's is het aannemelijk dat er een relatie is. Vanuit verschillende bronnen is er op deze pagina informatie over deze schilder opgenomen.


Bezorgde burgemeester Huydecoper de schilder Cornelis Brize de opdracht voor de thesaurie op het stadhuis?


Schilderij met liassen van de Thesaurie door Cornelis Brizé (doek 194x250cm; 1656).

Na de voltooiing van het nieuwe Stadhuis [in Amsterdam] verschenen er in de zestiger jaren van de zeventiende eeuw een groot aantal stadsbeschrijvingen waarin uitvoerig het gebouw met haar vertrekken staat beschreven. In de eerste van deze serie uit het jaar 1663 schreef Olphert Dapper over een schilderij van Cornelis Brizé [1] (Haarlem 1621 - Parijs 1670) dat op dekamer van de Thesauri Ordinaris hing:'Van binnen in de kamer boven de deur hangt een schilderij, daer in aen lisassen of sn(o)eren, eenige brieven en bondels papieren hangen, zo overbeterlijk door Brisée geschildert, en de hant van verscheide luiden in 't schrift zoo net naeboost, dat ieder vreemdeling van verwondering staet als opgetogen, en zich in 't zien vergist.' [2] Dit grote schilderij, dat tot de vroegste Hollandse voorbeelden van de zogenaamde 'trompe l'oeil'-stillevens of populairder gezegd 'bedriegertjes' behoort, is gesigneerd en gedateerd 'C. Brizé f./1656' [3].

Op dit schilderij kan men een houten wand met een acht-tal zwarte houten knoppen zien, waaraan tot liassen aaneengeregen stukken hangen. Vroeger werden in de administratie stukken die eenzelfde onderwerp hadden tot een lias aaneenregen door middel van een pen met een koord of touw en opgehangen. Over het algemeen werden deze stukken aan het begin van het volgende jaar na het afhoren van de rekening in laden opgeborgen. De opschriften boven de liassen op het schilderij komen overeen met een aantal posten op de stadsrekening. Deze luiden van links naar rechts: boven 'Reijsen ghelt, processen, Fabryck ampt (=thans Publieke Werken), Extraordinaris Quitantien' en onder 'Ordinaris wedden (=gewone salarissen), quitantien van de grooten excijs (= kwitanties voor ontvangst van de accijns op graan en bier), Copinge van de Erven, Barning (=brandstoffen). De overeenkomstige posten onder de zeventien grossen van de uitgaven luiden in volgorde van die rekening: 'wedden, reijsgelt, processen, turff en hout (in de stadsrekening van 1655 nog 'barningh' geheten), coop van huysen, erven ende landen (op het schilderij 'Copinge van de Erven'), extra ordinaris zaken' en onder de ontvangsten: 'Grooten excijs'.

Met krijgt de indruk dat het schilderij naar werkelijke lisassen werd geschilderd. Om dit te kunnen aantonen, werd een pging gedaan om de afgebeelde stukken te identificeren. Dat was voor de meeste niet meer mogelijk omdat deze werden vernietigd, maar het lias van de 'Copinge van de Erven' laat een kaart zien die nog bewaard is gebleven. Deze plattegrond werd in 1656 door de stadslandmeter Cornelis Danckertsz de Rij (1592-1662) getekend [4]. Het stel een strook grond voor die overbleef van 1391 1/2 roeden land die in het voorjaar van 1656 door de stad was aangekocht van Elbert van der Graft (1614-1664). De kwijtschelding die onder de kaart op het schilderij is te zien dateert van 8 mei 1656 [5] en in de stadsrekeing staat als eerste post onder 'Ander uytgeef van coop van huysen ende landen': 'Elbert Graft betaelt over coop van een stuckje landts gelegen aende oostzijde van den Amstel luyt de quijtscheldingh f. 4783:5:10' [6]. De erop volgende post van deze rekening is de aankoop van een stuk land in de Volewijk onder Buiksloot, waarvan de betaling op 23 mei 1656 heeft plaatsgevonden [7]. Het stuk van deze overdracht werd door de schout en twee schepenen gezegeld - het heeft dus drie uithangende zegels - en is niet op het schilderij van Brizé te zien. Wij mogen derhalve aannemen dat Brizé in mei 1656 met zijn schilderij is begonnen, voordat de volgende stukken aan het lias werden gehecht. Deze overdrachten zijn alle bewaard gebleven in tegenstelling tot de andere liassen.

De aankoop van het stuk land van Elbert van der Graft dat aan de Amstel ter hoogte van het huidige Carré was gelegen, had te maken met de aanleg van de nieuwe fortificatiŽn rond de stad die een voortzetting vormden van de stadsuitleg van 1612. Deze werden gedeeltelijk door het land van Van der Graft aangelegd. Bekijken wij nu het boven de 'Copinge van de Erven' hangende lias van het ' Fabryck ampt', dan zien wij daar onder andere een getekende kaart van deze fortificatiŽn hangen. De aanleg van die fortificatiŽn viel onder de toenmalige Publieke Werken, maar in de stadsrekening worden deze werkzamheden onder het 'Fabryck ampt' niet nader gespecificeerd. Wel vinden wij onder de post 'Andere uytgeef van extraordinaris zaken': ' Den capiteijn Hendrick Ruse betaelt voor d'opsicht int maken van eenige nieuwe forificatiewerken' f 300,- [8]. De rekening van deze post moet aan het lias 'Extraordinaris quitantien' hebben gehangen, maar deze is daar niet op aan te wijzen en bovendien niet bewaard gebleven.

Het ziet er dus naar uit dat Cornelis Brizé zijn schilderij voor de Thesaurie in de maand mei 1656 is begonnen en nog in datzelfde jaar heeft voltooid. Een betaling daarvoor is niet in de stadsrekening te vinden. Echter in de rekening van het voorgaande jaar 1655 komt de volgende post voor: 'Cornelis Brisé, schilder, betaelt voor vernissen etc.' [9]. Het was voor werkzaamheden op de Voetboogdoelen. Het bedrag van f 325,- lijkt mij wel hoog voor het schoonmaken van de daar hangende schutterstukken en ik vraag mij af of dit bedrag niet een gedeeltelijk voorschot is geweest [10], want Brizé was in dat jaar niet best bij kas. Hij woonde toen aan het Singel naast burgemeester Huydecoper en had een huurschuld van f 198,-, waarvoor hij op 16 december 1655 zijn bij de Schouwburg te verdienen gage als onderpand gaf [11]. Het zou heel goed kunnen dat Cornelis Brizé toen in zijn armoede door de stad van hout en turf voorzien is geweest, reden waarom hij onder de rekening van het lias 'barning' met Cornelis Brize tekende.

De in Haarlem geboren Cornelis Brizé komen wij voor het eerst in Amsterdam tegen, wanneer hij op negentienjarige leeftijd de stad op 22 september 1640 in ondertrouw gaat met Ida Cornelis (Haarlem ..-1663). Brizé had toen een adres aan de Bloemgracht, waar volgens Houbraken Rembrandts in diens vroege Amsterdamse tijd een pakhuis had gehuurd om zijn leerlingen te onderrichten. Lang bleef hij niet in de Amstelstad, want in 1642 wordt hij tijdens een volkstelling in de Eeuwige Statd samen met zijn broer Claes aangetroffen in gezelschap van enkele Polen in een herberg van de parochie San Lorenzo in Lucina [12]; een wijk van Rome die druk door kunstenaars werd bezocht en serdert 1624 ook de vermaarde schilder Nicolas Poussin onder zijn inwoners telde [13]. In de winter van 1644/45 was Brizé weer terug in Amsterdam en woont dan in de Kalverstraat. Op 24 januari werd een kind van hem in de Oude Kerk begraven en een paar maanden later werd op 16 april 1645 een dochtertje Josina in diezelfde kerk ten doop gehouden. De bijna twee weken later in het begraafregister van de Oude Kerk ingeschreven 'Kornelis Bresee J.M. uyt de Kalverstraat' lijkt mij een vergissing voor zijn broer Claes te zijn.

Cornelis Brizé is noot poorter van Amsterdam geworden. Voorlopig vernemen wij weinig van zijn schilderactiviteiten tot hij wordt genoemd bij de eeste Sint Lucasfeesten van 20 oktober 1653 die in de Voetboogdoelen werden gehouden en waar Joost van den Vondel als poeet werd gehuldigd. De dichter Jan Vos was eveneens present geweest en in diens gedicht 'Strydt tusschen de Doodt en Natuur, of Zeege der schilderkunst' verklapt hij wat Brizé voor dit festijn te doen had [14]:

Briezé zal, tot sieraadt, festonnen vlechten
Van Speel-en-bou- en wapentuigh, en blaan
Van lauwres offeren op uw altaaren.

Een aan Brizé toegeschreven ontwerp van deze festoenen wordt in de collectie van de historisch topografische atlas van de Gemeentelijkst Archiefdienst bewaard [15].

In het voorjaar van 1653 was de moeder van de shcilder Josijntje van Hooren overleden en op 5 maart in de Oude Kerk begraven. Op de 28ste mei daaropvolgend was zijn vader Pieter Briese (Oudenaarde ..-na 1635) alweer hertrouwd met een weduwe Cathalijntje Verslieps. Vader Briese was toen uitdrager aan het Rokin.

Sedert 1655 had Cornelis Brizé enkele opdrachten voor de stad mogen uitvoeren, waaronder zijn belangrijkste werkstuk van de liassen voor de Thesauri. Hij kreeg zijn laatste uitbetaling op 27 mei 1664 voor het verschilderen van een schild voor de raadskamer op het stadhuis. Dat was slechts f 3,- [16]. Het ging hem kennelijk niet goed en op 13 maar 1665 berichtten de regenten van het Burgerweeshuis aan de burgemeesteren dat Brizé 'de koster van de Schouwburg' was weggelopen [17].

Cornelis Brizé was in het voorjaar van 1663 weduwnaar geworden en op 17 april was Ida Cornelis vanuit de kasteleinswoning van de Schouwburg aan de Keizersgracht in de Westerkerk begraven. Net als zijn vader hertrouwde Cornelis Brizé binnen enkele weken, want de herberg moest blijven draaien. Op 7 juli 1663 tekende hij alweer aan met de achttienjarige Marrike Marcus (1645-na 1670) die door haar moeder Trijntje Jans was vergezeld.

In 1892 is er in Frankrijk een merkwaardig huwelijkscontract, dat op 21 november 1670 te Parijs was opgemaakt, gepubliceerd. Dit contract van de weduwe van Cornelis Brizé vraagt hier eerst onze aandacht, omdat het enkele merkwaardige gegevens oplevert. Het werd gesloten tussen 'Gabriel de Lyon, peintre ordinaire du Roy, natif de Dort, en Hollande, demeurant ŗ Paris, faubourg St Germain, rue Mazarine, paroisose St Silpce, pour luy et en son nom d'une part, et demoiselle Marie Jans, veuve de Corneille Brisée, vivant peintre de la Republique de Hollande, demeurant aussy ŗ Paris, rue PlastiŤre, paroisse St Eustache'. Beiden verklaren reeds meerdere jaren in Parijs te wonen. Nadat de bruid heeft verklaard 8000 pond in waardepapieren, meubelen, zilver, linnen en kleding te zullen inbrengen, komt de mededeling in de slotzin van de akte dat zij deze 8000 pond sinds de dood van haar man had verdiend: ' Laquelle somme de 8.000 livres appartenant ŗ la dite future espouze alle a dict deffunt mary qui n'a laissé aucun bien.' [18] Cornelis Brizé had dus niets nagelaten en men vroeg zich af of zij niet met succes als ongeschoolde buitenlandse vourw in Parijs het beroep het uitgeoefend, waaraan de 'Spaanse ziekte' - in Holland de 'Franse ziekte' - was verbonden? Tenslotte was zij een arme schildersweduwe, dia aan de Schouwburg verbonden was geweest, waar het beroep van ' Venus' voor de actrices geen uitzondering was.

Er zijn echter meer vragen op te lossen. De tweede betreft de identiteit van Maria Jans. Is zij identiek met Marrike Marcus? Dat zou mogelijk kunnen zijn, wanneer zij de dochter is geweest van een Jan Marcusz - zoals al in 1892 werd voorgesteld - en Trijn Jans. Haar doop werd niet in Amsterdam gevonden, maar op 24 februari 1646 ging daar wel een Trijn Jans als weduwe van Jan Marcusz in ondertrouw met een varensman. Deze zouden de ouders van de tweede vrouw van Cornelis Brizé kunen zijn geweest.

Nog interessante is de bruidegom van 1670 Gabriel de Lyon. Het is reeds lang bekend dat deze schilder identiek is met Govert van der Leeuw (Dordt 1645- ald. 1688) [19]. Waarom noemde Govert van der Leeuw zich in Frankrijk Gabriel de Lyon en in Italië Gabriel de Leone? In de Hollandse stukken heet hij steeds Govert van der Leeuw en zo tekende hij ook. Tot nu toe werd Gabriel voor een vertaling van Govert gehouden en Lyon/Leone voor Leeuw. Dat lijkt te kloppen, maar waarom noemde hij zich niet Goffroy de Lyon of Goffredo de Leone, wat wel een vertaling van Govert van der Leeuw is? De achttiende eeuwse schildersbiograaf Houbraken maakt het ons nog lastiger door hem Gabriel van der Leeuw te noemen, maar hij levert ons wel de sleutel voor het gestelde probleem waar hij schrijft [20]: '(Gabriel van der Leeuw) begaf zig naar Amsterdam, daar hy kwam te trouwen met de Zuster van den Konstschilder David vander Plaats. Dog dit belette zyn reislust niet, nog porde hem tot spoedig wederkeeren, want hy zig volle 14 agtereenvolgende jaren, als vier tot Lion en Parijs, twee aan 't Hof van Savoje, een jaar te Rome, en zeven jaar te Napels, heeft laten ophouden, eer hy wederkeerde. (-). Maar alzoo (omdat zijn kunst niet met de Hollandse smaak overeenkwam), kondy hy hier niet zo veel, als hy gewoon was, voor zyn Konst bedingen; des besloot hy andermaal een reis naar Rome en Napels aan te vangen; om welke reden hy van Amsterdam naar Dordrecht vertrok, om zyn ouder Moeder, voor zyn vertrek, te bezoeken; maar hy werd op zyn onverwagtst door de door overvallen'.

Onze schilder was op 19 augustus 1667 als Govert van der Leeuw in Amsterdam in ondertrouw gegaan met Jannetje van der Plaes (1649-1730). Er werd een akte verleend om buiten de stad te trouwen. Jannetje van der Plaes komt in 1704 en 1729 als de weduwe van Govert van der Leeuw in Amsterdams stukken voor [21]. Bovendien wordt Govert van de Leeuw op 29 oktober 1684 genoemd in een vechtpartij aan de Binnen-Amstel voor het huis van burgemeester Van Beuningen met de schilder David van der Plaes [22]. De conclusie die zich thans opdringt is dat Govert van der Leeuw rond 1670 zijn vrouw heeft verlaten en tot omstreeks 1684 - de veertien jaar die Houbraken noemt - in het buitenland verbleef als Gabriel de Lyon in bigamie met de weduwe van Cornelis Brizé.

Keren wij nu terug naar Cornelis Brizé, dan intrigeert het ons door wie hij zijn opdracht tot schilderen van zijn schilderij voor de Thesaurie heeft verkregen. De namen van de burgemeester Cornelis de Graeff (1599-1664) en Joan Huydecoper (1599-1661) worden dikwijls in verband met de decoratie van het nieuwe Stadhuis genoemd. Joan Huydecoper was in 1653 overman van de Voetboogdoelen, waar in oktober 1653 en 1654 de bekende Sint Lucasfeesten werden gehouden, op welk eerste feest Vondel werd gehuldigd en waarvoor Brizé zijn eerste bekende opdracht uitvoerde. Het is bekend dat Huydecoper die de schilder- en dichtkunst in Amsterdam zeer bevorderde inspirator van deze Sint Lucasfeesten is geweest [23]. Bovendien vinden wij Joan Huydecoper op 28 oktober 1653 als een der belangrijkste gasten bij de maaltijd die de hoofden van de Schouwburg met de dichtende toneelwereld aanrichtten [24]. In 1655 was Huydecoper presiderend burgemeester, in welk jaar Brizé zijn eerste opdracht van de stad kreeg om de schilderijen van de Voetboogdoelen schoon te maken en opnieuw te vernissen. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat Huydecoper hier de hand in heeft gahad. Wij weten al dat Cornelis Brizé in 1655 de buurman van burgemeester Huydecoper was en ik vermoed dat hij zo zijn opdracht voor de Thesauri heeft verkregen.

Het werk van Cornelis Brizé komt niet veel voor, maar toch vinden wij in zeventiende eeuwse boedelinventarissen enkele vermeldingen van zijn schilderijen. Houbraken vermeldt dat Brizé 'byzonder Konstig en Nartuurlyk Harnassen' schilderde. Het hoeft ons dan niet te verbazen dat er in de boedel van de harnasmaker Laurens Mauritsz Douci (1606-1669) 'een banquetje van Brisee f 5:-:-' werd getaxeerd [25]. Het voorkomen van 'een stilleven van Brisee' in de boedrl van de schilder Johannes Juriansz Smit (Kiel 1659-1720)[26] vinden wij eveneens nog gewoon, maar de opsomming van meerdere werken in de collecties van twee gewezen hoofden van de Schouwburg brengt ons weer terug naar het literaire toneelwereldje van die dagen. Regent Willem van Camoen (1611-1661), wiens vader de architect van de Schouwburg was geweest, bezat 'een (stilleven) van Brise' en 'een (conterfeijtsel) van Cornelis Brisee' [27]. Bij zijn mederegent Jan Meures (1604-1672) hingen in diens huis in de Warmoesstraat (nr 114 A) in het voorhuis 'een geschildert glasgordijn met eenige brieven van Brise f 3:3:-', op de zaal 'eenige snakerij voor en om de schoorsteen van Brisee f 8:-:-' en in het kleine voorkamertje 'een wapentuygh van Bresijl f 5:-:-' [28]. Als laatste noem ik hier drie 'vanitas'-schilderijen die in 1703 in het bezit zijn van Mr Joan Huydecoper (1656-1703) waren [29], hetgeen een belangrjke aanwijzing is dat zijn grootvader burgemeester Huydecoper tot de opdrachtgevers van de schilder Cornelis Brizé heeft behoord.


S.A.C. Dudok van Heel

BronOrgaan van het genootschap Amstelodamum, 69e jaargang, nummer 1, januari/februari 1982, S.A.C. Dudok van Heel, bladzijden 7-15 (via Carla Brizee/Jan van den Berg)

KORNELIS BRIZE

Was een braaf Schilder van Harnassen, Stormmutsen, Zwaarden, en al zulke Krygsmans Zomerkleeders; benevens allerhande andere stilleevens, als blijkt uyt de geschilderde brieven en papieren op de Thresory van het Amsterdams Raadhuys, waar op den weergaaloozen Dichter J. v. Vondel dit onderstaande vaars heeft gemaakt Men riep, de Drukkonst en de Schryfkonst zal verwild'ren Nu Holland ons verliet 't gebruyk van Fransch papier. Ontslaa uw van dees zorg, sprak Amstels Thresorier: BrizÍ bestelt papier als hy zich zet tot schild'ren. Bezie dat Tafereel: wat ziet ghy daar om hoog? Papieren, Bul, en Brief: of schyn bedriegt ons oog.

Bron:De digitale versie van De levensbeschryvingen van Nederlandsche konstschilders en konstschilderessen door Jacob Campo Weyerman

....

Als jonkheer Quarles ons voorgaat naar de bovenverdieping vertelt hij terloops kleine jeugdherinneringen; de slaapkamer van zijn moeder met gebloemde katoenen gordijnen heeft hij onveranderd gelaten. In een kamer op de tweede verdieping hangt een interessante, wandvullende trompe l'oeuil met geschilderde jachtgeweren, wildtassen en kruitzakken op hout (C. Brizé, 1658).

....

Bron:Ridderhofstad Gunterstein door Thera Coppens

XLVI. Verhouding van dicht- en schilderkunst.

Den 20sten October 1653 werd er op den St.-Jorisdoelen te Amsterdam een merkwaardige maaltijd gehouden door Ďschilders, poŽten en liefhebbers der zelf der konstení, ter viering van Ďde vereenigingh van Apelles en Apolloí. In eene zaal die door Cornelis Brizé, schilder van stillevens en schijnbedriegers en kastelein van den Schouwburg, met festoenen versierd was, werd daar toen Joost van Vondel begroet door Apollo, die hem als zijn grooten zoon den lauwerkrans op de slapen drukte, en toen de grijze dichter daar Ďde wellekomstfluyt in drie teugení had uitgedronken, werd daarmee het huwelijk van dicht- en schilderkunst beschouwd als voorgoed gesloten te zijn. De karmozijnverver Thomas Asselijn, die later zulk eene rol van beteekenis als tooneeldichter zou spelen, maar nu eerst in zijne opkomst was, had de berijmde toespraken gemaakt, die daar werden uitgesproken met een gezang en een sonnet ter eere van Vondel en gedichtjes op de vier daar opgehangen festoenen.

Bron:De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 4: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (2). J. te Winkel.
NetStat
Je bent niet alleen op Coret Genealogie: met jou erbij zijn er nu 31 gebruikers op deze site!